Okra
Okra cirkels


Printversie
Bedevaart naar Dadizele 10 september 2009

Jaarlijkse Bedevaart van de OKRA Regio Gent


Er zijn nog zekerheden!
En één ervan is de jaarlijkse weerkerende Okra bedevaart van de Okra-regio Gent naar een gebedsoord waar het mogelijk moet zijn drie dagen lang elke dag circa 1000 bedevaarders te ontvangen.
Dit jaar hadden we als regiobestuur afspraken met het bedevaartsoord Dadizele (bij Roeselare) om drie dagen lang de lokale basiliek centrum te maken van onze bedevaart.
Okra Lovendegem had geopteerd voor de laatste dag van de driedaagse zodat wij op donderdag 11 september samen met circa 1100 andere Okra’s de plechtige eucharistieviering konden bijwonen. Het thema van de bedevaart dit jaar was:
De Geest is als de Wind
Hij Waait waar Hij Wil

In een regie van onze regio-proost E.H. André Quintelier en ons Lovendegems Okra-lid Eric Lauwers gesteund door ons Okra-koor werd het geheel een uiting van het hedendaags beleven van ons christen zijn.
Wat mij bijzonder trof in de eucharistieviering was de manier waarop het voor die dag gekozen Evangelie zonder enig probleem kon ingepast worden in onze huidige tijd en ook als dusdanig aangevoeld werd. Ik wil U dit niet onthouden.
Maar eerst de inleiding op dit Evangelie.
In de tijd van Jezus waren er in Israël vier verschillende groepen mensen: de sadduceeën die we nu zouden kunnen vergelijken met de invloedrijke maar behoudsgezinde toplaag van onze maatschappij, de Essenen die zich in kleine gemeenschappen afzonderden, zeer godvruchtig leefden maar nogal vlug anderen uitsluiten en veroordelen. De derde groep waren de Zeloten, een groep die de bezetter (de Romeinen) actief bestreden en de laatste groep waren de Farizeeën, zeer vrome mensen die probeerden te leven volgens de Joodse Wet. Hun leven werd beheerst door het dwingende karakter van de geboden. Vandaag vinden wij hen onder de religieus geïnteresseerden die de wet naar de letter onderhouden. Dit kan neigen naar fundamentalisme. En in die groep ontdekken we Nicodemus die niet zo gelukkig was met die sfeer van angst die het Joodse denken beheerste. Hij was ontvankelijk voor een andere manier van redeneren.
Het Evangelie
Priester: Wij luisteren naar het Evangelie volgens Johannes.
Nicodemus: Er wordt zoveel gezegd over Jezus van Nazareth. Er zijn zoveel tegenstellingen die ik niet altijd kan duiden. Wij hebben onze wetten en wij proberen die zo goed mogelijk na te leven. Maar hij zegt dat Hij van Godswege gezonden is en Hij belooft een nieuw Koninkrijk. In onze groep zijn daar veel twijfels over. Hij spreekt in parabels.
Maar toch zijn er die tekenen, die wonderlijke gebeurtenissen, waar wij geen verklaring voor vinden.
Ik wil meer weten. Ik wil naar hem toe. Maar in onze groep vinden ze dat zeker niet goed. Ze vinden het maar onnozel als ik dat doe. Daarom zal ik wachten tot de nacht valt en niemand ziet dat ik naar Jezus ga.
Priester: Op een nacht ging Nicodemus naar Jezus toe en zei: Rabbi, we weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent. Geen mens immers kan de tekenen verrichten die U doet wanneer God niet men hem is.
Jezus gaf hem ten antwoord: “Waarachtig, ik verzeker U: alleen wie opnieuw geboren wordt kan het koninkrijk van God zien”.
Nicodemus: Geboren worden?
Hoe kan ik nu op mijn leeftijd geboren worden?
Kan ik nog eens terug de schoot van mijn moeder binnengaan?
Priester: Jezus antwoordde: waarachtig, alleen wie geboren wordt uit water en Geest is in staat het koninkrijk van God binnen te gaan. Wat uit vlees geboren is, is vlees en wat uit de Geest geboren is Geest. Wees dus niet verwonderd als ik U zeg dat jullie opnieuw moeten geboren worden. De Geest is als de wind, hij waait waar hij wil, je hoort hem waaien maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met ieder die geboren is uit de Geest.

Maar er was ook een ontspannend gedeelte

Na het bezinnend gedeelte van een bedevaart volgen in Vlaanderen, even klassiek als onvermijdelijk, de tafelgeneugten gevolgd door een onspannend en/of informatief gedeelte.
Het middagmaal namen we op aanbeveling van de toeristische dienst van Roeselare in Het Vosken op de Meense Steenweg. We hebben ons dit niet beklaagd want zowel de opener (de amuse-gueule), de soep, het Ardens gebraad met bospaddestoelen en kroketten en de crème brulée smaakten overheerlijk, de porties waren royaal bemeten en de bediening vlot en efficiënt.
Om twee uur werden we verwacht bij de brouwerij Rodenbach in de Spanjestraat te Roeselare om kennis te maken met het unieke brouwproces van dit typische zuid-vlaams bier.
Ik ben geen Rodenbach drinker maar als smaakmaker in een stoverij of als basis in een saus vind ik het overheerlijk.
Ik heb voor het eerst Rodenbach geproefd tijdens de Gentse Feesten van 1956. Dat kwam zo: in de jaren vijftig en zestig waren de Gentse feesten dood. In Gent gebeurde niets maar de Gentenaars trokken wel massaal per fiets naar onze kust en bij voorkeur naar Blankenberge. Op een mooie julidag sloot ik mij in Waarschoot aan bij de sliert fietsers, het pakje in boterpapier verpakte boterhammen onder de snelbinder. Op een terras in Blankenberge heb ik ze opgegeten, niet met koffie of een “zwoantje, maar met een donkerrood bier dat blijkbaar iedereen bestelde: een Rodenbach en men kreeg er nog een kommetje ongepelde “geirnoars“ of “gernoazen” bij.
Recent zag ik het koppel Jean Blaute en Roy Cokes in het programma “Tourné Générale, op bezoek in de brouwerij Rodenbach . En ik herinnerde mij de uitspraak van de bierkenner bij uitstek, de Brit Michael Jackson, de man die de Trappist van Westvleteren het beste bier ter wereld vond: Rodenbach is the best refreshing beer of the World (… is het meest verfrissende bier ter wereld).
Bier is een simpel product: water, gerst (ook tarwe of mais), hop en gist (toegevoegd of natuurlijk) zijn de grondstoffen. Het verschil (en het geheim) wordt gemaakt door de wijze waarop men deze vier basisproducten behandelt en door het brouwproces.
Rodenbach gebruikt nog altijd deze vier elementen waarbij het misschien nuttig is te vermelden dat het water afkomstig is van bronnen in het naast de brouwerij gelegen parkje en dat de hop hoofdzakelijk geleverd wordt door kwekers uit het Poperingse. De eerste fase van het brouwproces verschilt niet zoveel van de wijze waarop andere bieren gemaakt worden:
- Het mouten: de kiemen van de vochtige gerst worden gedroogd op twee niveaus
- Het mengen van de mout en het water en het verwarmen van dit mengsel
- Na het filteren verkrijgt men wort . Het restant is draf gebruikt als veevoeder.
- Het koken van de wort en het toevoegen van hopbellen.
- Na het afkoelen wordt de gist toegevoegd (de temperatuur en het gebruikte soort gist zal bepalen welk soort bier men maakt: hoge gisting – lage gisting.
Bij Rodenbach wordt dit jonge bier nu in de juiste verhouding overgepompt in eikenhouten vaten met een inhoud per stuk van 12.000 tot 65.000 liter. De 294 vaten (in vakjargon: foeders) kunnen in totaal 7 miljoen liter bier laten rijpen. In deze foeders rijpt het bier gedurende 18 en de 24 maanden. Het zijn de kelder- en brouwmeesters die uiteindelijk door letterlijk dagelijks proeven zullen bepalen welke van de gerijpte bieren in aanmerking komen om te bottelen. Het is ook hun taak om bier van verschillende foeders te mengen om zo tot de typische Rodenbach mengreceptuur te komen: één vierde oud bier en drie vierden jong bier. Het bottelen in vaten en flessen gebeurt sinds enkele jaren niet meer in Roeselare. Na de overname door de brouwerij Palm uit Steenhuffel is deze activiteit verplaatst naar de hoofdzetel van Palm. Misschien nog iets over die fameuze Foeders , een unicum bij het bierbrouwen. Deze enorme vaten gemaakt van eikenhout uit de Elzas zijn afkomstig uit gespecialiseerde firma’s uit Duitsland. De oudste vaten zijn meer dan 150 jaar oud. Het onderhoud en herstelling gebeurt nog wel door de twee kuipers van Rodenbach. Het strikte onderhoudsschema van de vaten omvat:
- Na elke gisting een reiniging met kokend water
- om de twaalf jaar het afkrabben van de biersteen
- om de 80 jaar het volledig ontmantelen van de foeder en het vervangen van lekkende duigen.
Ieder vat heeft een eigen nummer en elk van de tientallen duigen van ieder vat heeft ook een nummer. Het op maat brengen van een nieuwe duig is specialistenwerk en wordt uitgevoerd met eigen personeel.
Het dichten van de voegen tussen de duigen gebeurt met riet waarna de kuip gevuld wordt met water. Door het uitzetten van de eik verkrijgt men een perfecte afsluiting van het vat.
Ik en mijn Okra-vrienden weten nu wat een foeder is, wat wort en draf is, hoe een kuiper te werk gaat, waarvoor de geklasseerde Rodenbach-ast ooit diende en wat ondergisting betekent.
En hoe kan men dergelijk bedrijfsbezoek beter afsluiten dan door ter plaatse het eindproduct te proeven. Onze gids trakteerde in de historische zaal met een op juiste temperatuur geschonken Rodenbach van het vat en met de iets zuurdere, zilte Rodenbach Grand Cru. Ik verkies nog altijd de gewone Rodenbach van 5.2 graden als dorstlesser geschonken aan 4° C of als degustatiebier op een zomerse avond aan 12° C.
Maar de tijd drong want we hadden nog een afspraak in het wielermuseum waar onze gidsen popelden om ons de geschiedenis van de fiets vanaf de draisine tot de high-tec racefiets uit carbon te kunnen vertellen. En dan moesten we nog aan tafel voor een uitgebreid brood- en beleg buffet bij onze vrienden van Het Vosken.


Het wielermuseum in Roeselare

We konden Roeselare toch niet verlaten zonder het voor België unieke Nationaal Wielermuseum bezocht te hebben. Ik weet wel, we hebben ook in Oudenaarde een wielermuseum maar dit is meer toegespitst, ook commercieel, op de Ronde van Vlaanderen. Nee, als u echt de geschiedenis van de fiets en van het fietsen zelf wil leren kennen bent u in Roeselare aan het juiste adres. Dit museum, officieel geopend in maart 1998 is gevestigd in de oude, prachtig gerenoveerde brandweerkazerne, annex arsenaal van Roeselare (Polenplein 15) Aangezien wij altijd kwaliteit vooropstellen hadden wij ook ditmaal geopteerd voor een gegidste rondleiding en hadden we gelet op de uitgebreide groep zelfs twee deskundige gidsen gereserveerd.
Als je het in Vlaanderen over de fiets en het fietsen hebt kom je onvermijdelijk terecht bij onze Flandriens. En bij Cyriel Van Hauwaert, Odiel De Fraeye, Ritten van Lerberge, leon Buysse, Jules Masselis, Albert en Patrick Sercu, Jempi Monseré en nog zoveel andere.. Eigenaardig genoeg allemaal afkomstig uit Roeselare en de omgeving ervan: Rumbeke, Moorslede, Staden , Lichtervelde enz. Het waren de uit deze streek afkomstige Vlamingen, aanvankelijk boerenknechten, seizoensarbeiders, dagloners en koewachters die probeerden vooral in Frankrijk de armoede te ontvluchten door deel te nemen aan wielerwedstrijden. Roeselare is op die manier eigenlijk de bakermat van de Vlaamse wielersport en kende in Rumbeke ook de eerste “velodroom”(Ook bij ons, in Langerbrugge, komt er later een).
De fransen beschouwden hen als rariteiten en weldra ontstond aldaar de mythe van de achterlijke, onontwikkelde, halfwilde, rauw vlees etende en rauwe eieren met bier slurpende vlaming die de franse wielerelite op eigen terrein kwam verslaan. Zij hadden er zelfs een naam voor: le Flandrien en deze was nu niet direct bedoeld als een eretitel De eerste was de seizoenarbeider Cyriel Van Hauwaert uit Moorslede die in 1908 Parijs - Roubaix won. In 1912 won Odiel Defraeye uit Rumbeke zowel de Ronde van België als deze van Frankrijk. Dan had je nog Ritten Van Lerberghe uit Lichtervelde en nog zoveel anderen. En laat nu juist in deze periode Karel van Wijnendale (pseudoniem van Carolus “ Koarle” Steyaert - (°16/11/1882), journalist bij “De Sportwereld” zijn debuut maken. In een gezwollen bombastische taal, maar niet altijd waarheidsgetrouw, schiep hij het beeld van de norse, zwijgzame maar hongerige Vlaamse Leeuw op de fiets. Zijn lezers smulden erven. De Flandrien werd een begrip, de “Dwangarbeider van de Weg” en nog jaren nadien, zelfs tot op heden, gebruikt men deze term om de Vlaamse wielrenner te duiden.(1) Ook in ons eigen Lovendegem hebben we nog altijd de Flandrien-rondewinnaar Maurice De Waele en de Flandrien Fred Hamerlinck geboren in Assenede, later cafébaas aan Wondelgem-Station (Don Fredo) teerden jarenlang op deze faam.
In het museum van Roeselare krijgt u een volmaakt beeld van de toch wel recente geschiedenis van de fiets en van de flandrien.
Het is pas in 1816 dat een zekere Karl Von Drais de bestaande houten tweewielige loopfiets ombouwde tot een bestuurbaar voertuig. Maar de meeste gebruikers van dit tuig, de “draisine”, vonden dit niet meer dan een stuk speelgoed. Het is pas als de fransman Michaux in 1861 aanvankelijk in hout, later in metaal een fiets ontwikkelt met trappers op het voorwiel, de “vélocipède, dat het tijdperk van het speelgoed verlaten wordt. Overal experimenteert men met dit basismodel tot de Engelsman James Starley een tuig ontwikkelt met een enorm voorwiel en een klein achterwiel: de hoge Bi. Het was een hele kunst om het tuig te bestijgen en het rijden ermee was allesbehalve eenvoudig: onze Lovendegemse “Fietsende clowns” weten er alles van. In 1885 maakt de fiets een ontwikkeling door die zou leiden tot het vervoermiddel dat we nu nog kennen: twee even grote wielen – aandrijving door op pedalen uitgeoefende kracht, een bestuurbaar voorwiel en een overbrenging door middel van een ketting. Deze veiligheidsfiets (“safety bike”) was een ontwerp van de neef van de eerder genoemde James Starley. Vanaf dan ging het snel. De Schotse veearts John Boyd Dunlop vond de luchtband uit, het kogellager deed zijn intrede, men vond een aangepaste verlichting uit (carburelamp); men experimenteerde met versnellingen en remmen en de fiets was niet langer het speelgoed van de bemiddelde snob maar werd bereikbaar voor velen. Meer nog, na aanvankelijke protesten van o.a. van de geestelijkheid, werd ook door vrouwen, eerst aarzelend maar nadien massaal gefietst of… de fiets als element van emancipatie van de vrouw!
In het Nationaal Wielermuseum kan je, zoals wij deden, de geschiedenis van de fiets chronologisch volgen. U ziet hoe in de opeenvolgende decennia de fiets evolueerde van de logge (35 kg) draisine tot het uit lichtmetaal, glasvezel en carbon vervaardigde technologisch hoogstandje van de toekomst.
Ik moet het hierbij laten want we worden als afsluiting van deze memorabele dag nog verwacht in ’t Vosken voor een rijkelijk brood- beleg- en groentenbuffet. (T.M.)

(1) In 1943 publiceerde Karel Van Wijnendale “Het Rijke Vlaamsche Wielerleven”. Mijn vader bezat dit op grof oorlogspapier uitgegeven werk. Het is vermoedelijk een van de eerste boeken die ik ooit gelezen heb en in de familie Mestdag wordt dit beduimeld eksemplaar nog altijd gekoesterd.

Naar boven