Okra
Okra cirkels


Printversie
OKRA bezoekt Breendonk en de Rupelstreek

De Hel van Breendonk



Op 28 mei laatsleden bezochten 48 Lovendegemse Okra’s in twee groepen het Fort van Breendonk.
Wie jaren terug bijvoorbeeld ter gelegenheid van een schoolreisje het fort bezocht herinnert zich ongetwijfeld de enorme massieve betonnen versterking, omwald door een vijfentwintig meter brede gracht waarbinnen gedurende de oorlogsjaren Joden en nadien Belgen veelal in afwachting van hun deportatie naar Duitse en Poolse kampen een tijdlang opgesloten werden Breendonk was immers een Durchgangslager, een doorgangskamp, vergelijkbaar met Vucht en Wersterbork in Nederland of Drancy in Frankrijk. De officiële Duitse naam was dan ook “Auffanglager” of opvangkamp waar verschillende soorten arrestanten in afwachting van een meer definitieve beslissing werden verzameld: politieke gevangenen, weerstanders en verzetsmensen maar evengoed smokkelaars of overtreders van de bezettingsregels en -wetten.
Rupel JW 033
Breendonk was dus geen echt vernietigingskamp zoals Auschwitz of Treblinka. Neen, zolang het Duitse Militaire Bestuur in België de dienst uitmaakte (tot midden 1944) werd gepoogd, althans naar buiten toe, het geheel een schijn van wettelijkheid te geven.
Maar meer dan oogverblinding en façade was dit niet. In werkelijkheid was het regime in Breendonk vergelijkbaar met dit van andere concentratiekampen.
Breendonk, anno 2009 het best geconserveerde concentratiekamp in Europa, werd al spoedig ingeschakeld als detentiecentrum voor arrestanten van de Sicherheitsdienst (SD), van de SIPO, van de Geheime Feldpolizei en van de Gestapo. Op die manier werden bijvoorbeeld na de Duitse inval in Rusland (Operatie Barbarossa van 22 juni 1941) honderden Belgische communisten in Breendonk opgesloten. Later volgden even grote aantallen Belgen die verdacht werden van verzetsdaden. Belgische en buitenlandse joden verbleven een tijdlang in Breendonk tot de Mechelse Dossin-kazerne omgevormd werd tot de Belgische verzamelplaats van Joden. Van daaruit vertrokken hun treinen naar de vernietigingskampen in Polen.
Het fort van Breendonk, een betonnen mastodont van 260 op 106 meter, werd in de periode 1907 tot 1914 gebouwd als onderdeel van de vooruitgeschoven verdedigingslinie van het Nationaal Reduit. De bedoeling was om in geval van oorlog het Belgisch leger terug te trekken achter een reeks van forten rondom Antwerpen zodat onze garanten, Frankrijk en Engeland, de tijd kregen de vijand terug te drijven. De nodige zware artillerie kocht men bij de Duitse firma Krupp maar deze kanonnen werden nooit geleverd zodat het fort bij de aanvang van de oorlog in augustus 1914 doof, blind, machteloos en dus totaal nutteloos was als verdedigingsmiddel. Toen de Duitsers het weerloze fort beschoten sneuvelde de commandant François Weyns waarna kort nadien de bezetting van het fort zich overgaf.
Rupel JW 034
In het interbellum, de periode 1919-1939, speelde het fort geen enkele rol van betekenis: het kon zich niet verdedigen en het (ongewapende) beton weerstond niet aan de vuurkracht van de moderne artillerie. Het fort kwam nog eenmaal in het nieuws toen het vanaf 10 mei 1940 enige tijd onderdak bood aan de opperbevelhebber van het leger, Koning Leopold III en zijn Staf: het Algemeen Hoofdkwartier (H.Q.)
Na de capitulatie van ons leger (28 mei 1940) werd het Fort reeds op 20 september 1940 door de Duitse bezetter in gebruik genomen als gevangenis, aanvankelijk voornamelijk voor de naar België uitgeweken Duitse en Poolse Joden.
Vrij vlug na de ingebruikname van het fort werd door de SS-leiding van het kamp beslist de gevangenen in te zetten voor het afgraven van de aarden bekleding van het fort. Het was een totaal zinloze arbeid maar als middel om gevangenen fysisch te kwellen en uit te putten was deze maatregel uiterst adequaat. Zware fysieke arbeid vraagt minstens 3.500 calorieën per dag maar met een rantsoen van 225 gr brood, twee bekers ersatz-koffie en ’s middags twee borden dunne aardappel-, rapen- of wortelsoep wordt de voortdurend knagende honger vlug een vast onderdeel van de dagelijkse marteling.
Rupel JW 035
De gevangenen hebben uiteindelijk met hun handen, met een schop, houten kruiwagens en kipwagentjes op smalspoor 250.000 kubieke meter aarde verplaatst. Totaal nutteloze arbeid maar gewoon als onderdeel van het Duitse opzet de gevangenen te vernederen, hen te ontmenselijken en uiteindelijk te vernietigen door arbeid.
Op 17 februari 1941 bezweek de Jood Julius Nathan wegens mishandeling en uitputting in Breendonk. Hij was de eerste dode in Breendonk.
Er zouden er nog 84 bezwijken aan de combinatie van ondervoeding, dwangarbeid en mishandeling. Sommigen konden dit regime niet meer aan en pleegden zelfmoord na een “scherp” verhoor in de folterkamer. Nog anderen werden levenslang getekend door de ondergane behandeling.
In totaal 164, voornamelijk Belgische weerstanders werden in Breendonk gefusilleerd. Sommigen werden doodgeschoten als represaille voor een aanslag op Duitsers of op een collaborateur. Heel wat onder hen werden door het onervaren executiepeloton alleen gekwetst en moesten met een nekschot uit hun lijden verlost worden. Vijfentwintig voornamelijk jonge mensen werden in Breendonk opgehangen. Zesentachtig gevangenen uit Breendonk werden hier ter dood veroordeeld maar elders in België terechtgesteld.
De helft van al diegenen die ooit uit Breendonk zijn weggevoerd richting Buchenwald, Neuengamme en Mauthausen zijn nooit teruggekeerd.
Vanaf september 1941, na de Duitse inval in Rusland, werd de bewaking in Breendonk aangevuld met Vlaamse SS-leden. Naast de Duitse SS-Sturmbahnführer (majoor) en kampcommandant Philipp Schmitt en de sadistische dronkenlap, SS Untersturmführer (luitenant) Arthur Prauss, een analfabete voormalige slager, duiken meerdere Vlaamse SS-ers op.
De twee meest beruchte beulen zijn de gewezen kermisbokser Ferdinand Wyss en de Willebroekse sluiswachter Rijkaard (Richard) de Bodt.
Het is hier niet de plaats om een opsomming van hun bewezen afschuwelijke misdaden te geven. Het volstaat te zeggen dat beide Vlamingen handelden vanuit de diepste krochten van de menselijke geest, daar waar de beestachtigheid het menselijke voelen en handelen verdringt.
Rupel JW 036
Bij zijn aanhouding in Turnhout werd Wyss herkend door een gewezen gevangene en de Rijkswacht heeft amper kunnen verhinderen dat hij door de menigte gelyncht werd. Hij werd ter dood veroordeeld en op 12 april 1947 in Antwerpen terechtgesteld. De Krijgsraad had bevolen dat hij met de rug naar het executiepeloton gekeerd, als lafaard dus, diende neergeschoten te worden.
Zijn kompaan De Bodt slaagde erin in Duitsland onder te duiken maar werd uiteindelijk toch op 9 juli 1951 in de Franse bezettingszone aangehouden. Nadien werd zijn doodstraf door minister Pholien en ondanks hevig protest van weerstandsgroeperingen, omgezet in levenslange dwangarbeid. Hij stierf in de gevangenis van St.-Gillis op 3 januari 1975 aan suikerziekte. Al die jaren werd hij afzonderlijk gelucht omdat medegevangenen dreigden hem tijdens de collectieve wandelingen te vermoorden.
Toen Okra-Lovendegem het kamp van Breendonk bezocht waren nog een tiental andere groepen aanwezig wat wel wijst op een hernieuwde belangstelling voor deze episode van onze vaderlandse geschiedenis.
Als het enigszins kan moet je het fort in groep en met een gids bezoeken. Het is opmerkelijk, en mijn inziens uniek, hoe de gidsen erin slagen om hun bezoekers bijna lijfelijk onder te dompelen in de gevoelswereld van de gevangene: zijn ontvangst in het kamp met geroep, kleineren, slaan en schoppen; de start van zijn ontmenselijking en het verlies van zijn eigenwaarde. Hij wordt een ding, een nummer. Als men als bezoeker dieper het kamp binnengaat wordt de ganse sfeer benauwend en zelfs beklemmend. Men proeft het zilte van de natte beton, men hoort het slaan met deuren en het gegil vanuit de folterkamer, het gelal van dronken SS-ers vanuit hun Casino. Men hoort zo Prauss de gevangenen toespreken: jullie opgewarmde lijken of ik ken geen zieken, alleen werkbekwamen of doden.
De gids van mijn groep had op iedere voorarm een tatoeage: het waren de nummers waaronder zijn vader ooit bekend was in Breendonk en later in Neuengamme waar hij vermoord werd.
Als U ooit in de omgeving bent: Hou halt in Breendonk. U kunt het fort ook individueel bezoeken: de moderne audioapparatuur die ter plaatse beschikbaar is, begeleidt u doorheen een van de donkerste bladzijden van onze geschiedenis: de hel die Breendonk was in de periode september1940 tot september 1944. Niet zonder reden is het fort uitgeroepen tot Nationaal Memoriaal.


De Rupelstreek met zijn steenbakkerijen

Het is de lezer inmiddels wel duidelijk dat Okra-Lovendegem zijn programma bouwt rondom een jaarthema. Daarbij proberen we inhoudelijk telkens het culturele te combineren met een ontspannend gedeelte. En hierbij is het bijna vanzelfsprekend dat de confrontatie met ons nabije verleden steeds een onderdeel zal vormen van dit soort bezoeken en daguitstappen. In dit verband bezochten wij reeds Brussel, onze Antwerpse haven, de nationale luchthaven en onze steenkoolmijnen. Voor de toekomst bijvoorbeeld plannen we nu reeds een bezoek aan de relieken van wat eens de hoofdbrok vormde van onze lokale tewerkstelling: de textielindustrie.
Rupel TM 035
Een Belg is “geboren met een baksteen in zijn maag”. Heel wat onder ons hebben jaren terug zelf gebouwd of hebben hun ouders weten bouwen. En wat was hiervoor in de jaren zestig en zeventig nodig: een bouwpremie van de “Wet De Taeye” en een lening bij de ASLK. Maar dat volstond niet. Naast de hulp en de raadgevingen van buren en familieleden hadden we ook nog bakstenen en dakpannen nodig. En vanwaar kwamen die?
Rupel TM 036
Juist! Van Boom. Dikwijls per binnenschip maar vanaf de jaren zestig ook rechtstreeks per camion aan huis geleverd. Wij wisten helemaal niet hoe die klinkaerts, klampsteen of Boomse pannen gemaakt werden. Nu, anno 2009 fabriceren enorme computergestuurde machines per uur duizenden bakstenen in alle gewenste formaten, kleuren en afwerkingen. Zij worden zonder enige menselijke tussenkomst op paletten gestapeld, met plastic omwikkeld en vanuit West-Vlaanderen “just in time” afgeleverd daar waar ze nodig zijn.
Maar hoe was het vroeger, toen wij of onze ouders bouwden?
Dat wou Okra-Lovendegem ontdekken. En waar konden we dat beter doen dan in het eeuwenoude centrum van Vlaamse baksteennijverheid: de Rupelstreek rondom Boom.
Een beetje geschiedenis is hier op zijn plaats.
Klei, de grondstof van de baksteen, ontstond zo’n 35 miljoen jaar geleden in de Rupelstreek in de cuesta van wat later de samenloop van de Schelde en de Rupel zou vormen. Klei vindt men overal in Vlaanderen maar de dikte van de kleilaag rondom Boom was wel uitzonderlijk: 20 à 25 meter. Reeds in de 13de eeuw waren het monniken van de cisterciënzer-abdij in Hemiksem die de klei gebruikten om in de zon gedroogde en nadien gebakken stenen te maken (de zgn. Papensteen).
Rupel TM 037
Het was de brand van Antwerpen in 1546 die de enorme vraag deed ontstaan om met onbrandbaar bouwmateriaal, bakstenen dus, huizen op te trekken. Vlaanderen had immers geen natuursteen. En de Rupelstreek bood het gewenste: massale voorraden klei, goedkope arbeidskrachten en een scheepvaartverbinding langs Rupel en Schelde met Antwerpen, Gent en later ook naar Brussel.
Rupel TM 038
Halfweg de 19de eeuw, in 1864, waren 167 steenbakkerijen met 5.570 arbeiders actief in de Rupelstreek en dit aantal bleef behouden tot rond de eeuwwisseling. De sociale wetgevingen inzake arbeidsduur en kinderarbeid bleven zelfs tot na de eerste wereldoorlog veelal dode letter in de steenbakkerijen: men werkte tijdens de zomer van zonsopgang tot zonsondergang; kinderarbeid vulde het karige gezinsinkomen aan, men werkte “in entreprise” en werd dus per prestatie betaald, men woonde in een woning van de steenbakkerij en men kocht zijn voeding en kledij in de winkel eigendom van dezelfde steenbakkerij. Kinderen liepen alleen in de niet productieve wintermaanden school. Men werd per dag, uitzonderlijk per week, betaald en de uitbetaling geschiedde in het café, ook al eigendom van de steenbakkerij.
Het is dan ook begrijpelijk dat de arbeiders in de steenbakkerijen, samen met de textielarbeiders, in de overgang tussen de negentiende en twintigste eeuw als eersten protesteerden tegen dit arbeidsregime en de leef- en werkomstandigheden. Naast het Gentse kende de Rupelstreek de eerste stakingen, de eerste vakbonden en mutualiteiten en de sterke opkomst van het socialisme.
Wij hebben, begeleid door twee enthousiaste en deskundige gidsen, kennis gemaakt met het leven van de vooroorlogse steenbakker. We weten nu hoe klei met de hand gedolven werd, spade per spade. We zagen hoe de steenmaker hompen klei met de hand in een houten steenvorm gooide en de bovenkant mooi glad afstreek. We weten nu dat (zijn) kinderen, de “afdragers” deze steenvorm lopend naar de droogplaats brachten, duizenden per dag. We zagen dat deze provisorisch gedroogde steen nadien opnieuw verplaatst werd door de “gamsters” naar overdekte droogplaatsen waar hij zes à acht weken verder droogde. In 1950 was de totale lengte van deze loodsen 120 kilometer (sic).
Rupel TM 039
Maar dan moest deze “groene” steen nog gebakken worden in de met hout of kolen gestookte klampoven of de ringoven om bij een temperatuur van circa 975 °C te “versinteren”. En terug waren ook in deze fase van de productie de vrouwen en kinderen aanwezig. In 1950 werden op die manier nog 3 miljard Boomse steen gefabriceerd. We hebben de enige nog bestaande ringoven bezocht waarbij in een honderd meter lange cirkelvormige oven continue stenen gebakken werden.
Rupel TM 041
Ik bespaar U het hele proces maar het is U inmiddels vermoedelijk wel duidelijk dat de baksteennijverheid rondom Boom het uiterste vergde van zijn werknemers. Vroegtijdig overlijden door longaandoeningen, door alcoholisme, door caloriearme en eenzijdige voeding, een hoog sterftecijfer bij borelingen en kinderen, door gebrek aan hygiëne in de kleine overbevolkte (fabrieks-)huisjes was er eerder regel dan uitzondering.
De confrontatie van het heden met het voor ons zeer nabije herkenbare verleden was somtijds schokkend maar tezelfdertijd ook verrijkend. Het is pas op zo’n moment dat men beseft hoe Vlaanderen erin geslaagd is, dank zij een resem sociale wetgevingen en voorzieningen, zijn arbeiders te ontdoen van het etiket “loonslaven”.
En waar staat de Boomse baksteennijverheid nu? Zij is zo goed als volledig verdwenen. Er is nog één sterk geautomatiseerd bedrijf met jawel, amper 200 werknemers.Het is bijna vanzelfsprekend dat we onze middaglunch namen in het restaurant Kleidal in Boom-centrum tussen de klinkers en de Boomse pannen. En weet u waar we ’s avonds gegeten hebben? In de brasserie van het Provinciaal Domein “De Schorre” had de waardin een rijkelijke broodmaaltijd (belegde broodjes, koffiekoeken, wit en bruin brood, koffie, thee en fruitsap naar believen inclusief eieren met spek) klaargemaakt. En waar ligt “De Schorre”? In een hectaren grote voormalige kleiput: ruim 20 meter of 68 trappen diep.
Rupel TM 042
Hoe we nadien hebben kunnen vermijden dat we terug 68 trappen moesten opklimmen is een ander verhaal. Maar onze 48 medereizigers zullen U dit bij gelegenheid wel eens vertellen!

Tony Mestdag

Naar boven